Ma t/m Zo
08h00 - 22h00
Teruggebeld worden? Bel mij terug
Menu
ABC Clinic
Reanimatiebeleid

Reanimatiebeleid

Voor cliënten die op het terrein van de kliniek of binnen de kliniek onwel worden en gereanimeerd moeten worden, bepalen wij dat wij de reanimatie in alle gevallen starten. De cliënt wordt zo snel als mogelijk overgedragen aan de SEH-medewerkers van de ambulance, waarna de cliënt naar het ziekenhuis wordt getransporteerd.

Reanimatie

Het gebeurt soms bij een cliënt in de kliniek dat het hart plotseling ophoudt met kloppen of de ademhaling stokt. Als dit gebeurt zal een arts of verpleegkundige op een bepaalde manier ingrijpen om het hart en de ademhaling weer op gang te brengen. Dit noemt men ‘reanimeren’ en de handeling heet ‘reanimatie’. Uit televisieseries kunt u de indruk krijgen dat reanimatie een kleine ingreep is die altijd probleemloos verloopt. Dat is niet zo. Reanimatie moet heel snel beginnen omdat de hersenen maar kort zonder zuurstof kunnen. Het is ingrijpend en helaas niet altijd succesvol. Het gevaar bestaat dat de reanimatie maar gedeeltelijk helpt, dat wil zeggen dat het hart wel weer gaat kloppen en de ademhaling op gang komt, maar dat de cliënt niet meer bij bewustzijn komt of - misschien erger - wel bij bewustzijn komt maar de hersenen niet meer goed functioneren. Soms kan het dus beter zijn niet te reanimeren.

Wel of niet reanimeren

Normaal gesproken zult u in ABC Clinic altijd gereanimeerd worden maar in sommige gevallen wordt door de behandelend arts een ander beleid voorgesteld of omdat u zelf hebt aangegeven niet gereanimeerd te willen worden. Het bespreken van het reanimatiebeleid betekent niet dat reanimeren nodig zal zijn en zelfs niet dat reanimatie waarschijnlijk is!

Overleg

Over de persoonlijke overwegingen of beslissingen kunt u met uw behandelend arts praten. Aarzel niet om, als er nog vragen opkomen of bepaalde onderwerpen u niet geheel duidelijk zijn, contact met uw arts op te nemen en toelichting te vragen. Soms is het goed ook eens met anderen over dit onderwerp te praten, zoals de geestelijk verzorger of uw huisarts, of met andere mensen buiten de kliniek die uw vertrouwen hebben.